
Oeteldonkse jasjes versus Oeteldonkse boerenkielen?
Carnaval 8.525 keer gelezenDEN BOSCH | De zwarte jasjes, voorzien van gouden koorden en epauletten, gecompleteerd met emblemen en een rood-wit-gele das, vormen als carnavalskostuum tegenwoordig de overhand tijdens het Oeteldonkse carnavalsfeest. Ze worden als ‘Oeteldonkse jasjes’ tot ver buiten Oeteldonk verkocht èn verhuurd. Tradities komen en gaan, het zijn levende organismen, zo ook met de kostumering. Gaat de traditie van de ‘boerenkiel’ het afleggen? Het is dit jaar precies 13x11 jaar geleden dat voor het eerst een Bossche carnavalswinkel adverteert met ‘boerenkielen’ voor ‘Carneval’. Tijd om eens terug te blikken.
door Rob van de Laar
Het Bossche carnaval kent vanaf het begin van de 19e eeuw een opleving, later gestimuleerd door Waalse glasblazers en de Sociëteit Casino. In het midden van de 19e eeuw is het vooral oude kleding die, vaak van elders gehaald, gebruikt wordt. Dat geeft tegenstanders aanleiding om te protesteren want die kleding zou weleens besmettelijke ziekten met zich mee kunnen dragen. Bij de gegoeden waren het Domino’s, Pierrots en clowns die het carnaval domineerden, naast ridder-, prinsenkostuums en Chinese kleding. Vrijwel iedereen was gemaskerd. Later die eeuw is er sprake van onder andere ‘de Vastenavond Peer’, een figuur in boerenkiel met witte sloof en vooral grote watten petten met een rode pompoen. Ook bekend was de figuur van de ‘vuilik’. Personen in oude jassen, besmeurd met peperkoek of anderszins, onherkenbaar door masker en vlaspruik, met bijvoorbeeld een kinderwagen waarin een ouder iemand met tuttefles komen op carnavalszondag uit de wijken van de stad. Met deze ongebruikelijke vieze kleding en handelingen trachten zij het publiek te shockeren. Het doet een beetje denken aan de ‘voil jeanetten’ in Aalst (B). Rond het begin van de 19e eeuw is dat gebruik zo goed als verdwenen. In 1900 verbiedt het stadsbestuur het zich verkleden in een andere sekse of als geestelijke.
Als er één carnavalskostuum is in Oeteldonk dat al in een vroeg stadium met recht traditioneel genoemd mag worden, dan is het wel de ‘boerenkiel’. En dan compleet met molton witte wanten aan een lint/touwtje om de nek, een rode boerenzakdoek met een schuifje van een lucifersdoosje (bij voorkeur van ‘Zwaluw’) en een hoge zwarte zijden boerenpet. De geschiedenis van de boerenkielendracht tijdens carnaval gaat verder terug dan Oeteldonk. In 1881 wordt in een advertentie van de Weduwe van Lieshout, die een winkel met carnavalsbenodigdheden aan de Kerkstraat bestierde, de boerenkiel als carnavalskostuum aangeprezen. Zo’n advertentie plaats je niet als dat al niet langer een gebruik is. Wellicht dat de bedenkers van het spel van het Durp Oeteldonk, in 1882 handig gebruik hebben gemaakt van dit gegeven.
Waalse glasblazers
Waar het gebruik van de boerenkiel als carnavalskostuum in ’s-Hertogenbosch precies vandaan komt is niet met zekerheid te zeggen. Van 1835 tot 1848 was, op de hoek van de Zuid-Willemsvaart en Schilderstraat, de glasblazerij en kristalslijperij Mivion & Co gevestigd. Het zou kunnen dat de daar werkende Waalse glasblazers, waarvan bekend is dat ze het straatcarnaval hier stimuleerden, ze al droegen. In de Waalse carnavalstradities is de boerenkiel nog steeds een algemeen bekend verschijnsel. Het zou ook hun werkkleding zijn geweest. Het gebruik van de kiel als een parodie op de boer lijkt niet aannemelijk: men had de producten van de omwonende boeren - en dus hen - te hard nodig om hen met een dergelijke parodie te bespotten. Al namen zij er in 1928 wèl aanstoot aan.
Witte wanten
In de jaren na 1881 worden ook de andere, hiervoor genoemde, toebehoren vermeld in diverse krantenartikelen. In die tijd hoorde daar bovendien nog een boerenmasker en een pruik van vlas bij, gecompleteerd met een ‘knuppel’ of stok met ring. De kiel was rond 1900 afgekeken van de ‘veeverkopers’. Zij hadden zo’n stok met ring waaraan het vee bij vervoer werd vastgemaakt. De meeste Oeteldonkse boeren droegen daaronder in die tijd dan nog een vale groene broek en klompen. De typische molton witte wanten, uitsluitend in Oeteldonk in gebruik, worden in 1895 al als traditioneel bestempeld. De herkomst daarvan zouden eveneens afkomstig kunnen zijn van de Waalse glasblazers. Zij zouden deze gedragen kunnen hebben om het warme glas op te pakken zonder het glas te beschadigen. Van enige relatie tot het boerenbedrijf is immers ondenkbaar. In 1920 verbood het stadsbestuur het masker in ’s-Hertogenbosch en daarmee verloor de uitmonstering van de Oeteldonkse boer het boerenmasker en de pruik van vlas. Niet alleen het ‘volk’ maar alle rangen en standen van de stad droegen de kiel. Daarmee ontstond een nivellering van het standenverschil.
Saaie kostumering
Het spel van Oeteldonk is regelrecht gebaseerd op de tegenstelling Stad-Dorp. De notabelen van het dorp Oeteldonk hullen zich vanaf het begin in kleding die in die 19e eeuw gebruikelijk was op hoogtijdagen van de plattelandsgemeenten. Niet kleurig maar saai zwart en donkerblauw voeren van oorsprong de boventoon. Ook de ‘gegoeden’ hulden zich eind 19e eeuw steeds meer en meer in de boerenkiel. In 1927 verruilt dan ook de Ministerraad van de Oeteldonksche Club het zwarte deftige kostuum voor een boerenkiel hetgeen ook meer paste in de persiflage. Burgemeester van Lanschot ergert zich in 1936 aan de Oeteldonkse kostumering wanneer hij pogingen onderneemt om het openbaar carnaval, sinds 1928 ingedamd, enigszins te herstellen. Hij vraagt zich af: “Waarom moet men in een boerenkiel loopen, waarom niet in de aardige een fraaie costumes die men in Düsseldorf en Kleef ziet.”
Oeteldonks exportproduct?
Dat jaren later de boerenkiel ook in andere plaatsen in Brabant, Limburg en zelfs daar buiten wordt vermeld, lijkt erop dat de carnavals daar de Oeteldonkse boerenkielendracht over genomen zouden hebben. Wie de landelijke en regionale kranten van eind 19e eeuw tot en met jaren dertig van de vorige eeuw napluist, ontdekt dat het Bossche carnavalsfeest van alle carnavalsplaatsen in die tijd verreweg het meest in de belangstelling staat. Die populariteit resulteert zelfs in oprichting van ‘Oeteldonksche Clubs’ in diverse plaatsen tot in Batavia en Bandoeng toe, vaak compleet met een Peer vaan den Muggenheuvel, veldwachter en soms een Prins waarvan de naam is afgeleid van die van de Oeteldonkse Prins Carnaval. Het lijkt dus heel mogelijk dat daarbij ook de hier traditionele kiel is overgenomen. De boerenkiel wordt in die tijd langzamerhand in heel Brabant en zelfs gedeelten van Limburg, een algemeen verschijnsel, getuige de advertenties van verkopers. Maar het hoogtepunt beleeft de kiel toch wel in de jaren vijftig tot eind jaren zeventig.
Versiering van de kiel
In 1956 komt, naar verluid, de rood-wit-gele wollen das in zwang. Dat begon bij de Raad van XI die, vanwege de koude in 1955, door hun echtgenotes het jaar daarop van zo’n das worden voorzien. Die das is nu niet meer weg te denken en siert menig hals van Oeteldonkse carnavalsvierders. Alleen zo hoor je er zeker bij. In die tijd worden de jeugdige boertjes voorzien van rood geschminkte wangetjes, een snorretje, eventueel een valse neus èn een bamboe wandelstokje.
In 1963 start de Oeteldonksche Club van 1882 met de uitgifte van emblemen voor de leden van de club. Die worden uiteraard op de kielen genaaid. Dat wordt vanaf dan een gewild verzamelobject. Aanvankelijk zijn die emblemen, of schildjes, gedrukt op linnen stof. Het nadeel was dat ze in de was verbleekten. Zolang het er nog een paar zijn is het geen probleem om ze er af te halen, maar naarmate de jaren vorderen is dat aantal toch teveel. Bovendien spelt men er de onderscheidingen op en worden kielen steeds meer voorzien van persoonlijke tekeningen en teksten in stof, maar vaak ook met vetkrijt of verf. Uit die tijd zijn ook de vierkante gekleurde viltjes bekend met plaatjes er op en tekstjes. De kiel wordt meer en meer persoonlijk gemaakt door eigen toevoegingen en geeft uiting aan de eigen identiteit van de drager of draagster.
Einde van de boerenkiel?
Er zijn in de jaren zeventig ook al tekenen dat men iets anders wil. De jeugd gooit zich op het dragen van stofjassen, beige en witte, sport- en militaire kleding en vervolgens op meer sjieke zwarte jasjes, voorzien van gouden epauletten en koorden, maar zeker ook de emblemen die intussen door elk zich respecterend bedrijf en organisatie en zelfs persoon worden uitgegeven. En natuurlijk zijn er daarnaast ook personen die zich hullen in bananenpakken, friteszakken of wat al niet meer. In de beginjaren is het nog het Genootschap ‘Kiel’ dat poogt de boerenkiel te behoeden voor algehele verdwijning. ‘Carnaval vergaat slechts met de mens’, schreef Antoon van Duinkerken in 1928. Maar hoe dat feest er telkens weer uitziet en welke tradities veranderen, blijven of verdwijnen, is verbonden aan de veranderlijkheid van die mens.
Wie van de lezers heeft de oudste of mooist versierde boerenkiel of kiel met een bijzonder verhaal?
Het Nationaal Carnavalsmuseum ‘Oeteldonkse Gemintemuzejum’ bereid een expositie voor van de Oeteldonkse ‘boerenkiel’. Wie van de lezers heeft de oudste of mooist versierde boerenkiel of kiel met een bijzonder verhaal? Meld dit dan via info@carnavalsmuseum.nl..
Download de nieuwe app van de Bossche Omroep
Goed nieuws voor alle liefhebbers van lokaal nieuws uit de gemeente ’s-Hertogenbosch: de Bossche Omroep heeft een gloednieuwe nieuwsapp gelanceerd! Download vandaag nog de Bossche Omroep app vanuit de App Store of Play Store om op de hoogte te blijven van het allerlaatste carnavalsnieuws uit Oeteldonk.















