
Column Jules Faber: Stoepbloem
Column 167 keer gelezen“Midden op de stoep tussen de stoeptegels, daar stond hij vlakbij de ingang van het winkelcentrum. Hij leek veel op het madeliefje, maar ik wist het niet zeker, want zoveel verstand van wilde bloemen en planten heb ik niet. Ach, het was in ieder geval een schitterende stralende bloem, die al het zonlicht in zich scheen op te nemen.”
“De stralende bloem stond op een 6 centimeter lange stengel, waaraan enige lange wat spitse bladeren zaten, die beschermden de bloem aan alle kanten. Doodstil stond hij daar, terwijl de winkelende mensen er rakelings langs liepen. Het leek erop dat de winkelende mensen de bloem totaal niet zagen staan. Daarom ging ik bij de bloem staan om de mensen te waarschuwen, wanneer ze bijna op de bloem stapten. Ik ben zeker een kwartier bij de bloem blijven staan. Een aantal mensen wezen met hun wijsvinger naar hun voorhoofd en liepen verder. Sommige lachten mij uit en één persoon vroeg zelfs of ik debiel was. Plotsklaps kwam er een man aanstormen en die stapte bovenop de bloem en zei: ‘Mevrouw, ik zal je uit je lijden verlossen, dan kun je verdergaan met winkelen.’ Daarna liep de man weer verder. Ik kon amper reageren, omdat ik stomverbaasd en tegelijk ook woedend was. Dat is wat mij vanmorgen is overkomen jongen”, zei mijn tante. “Ik moest mijn verhaal aan iemand vertellen, fijn dat je even op de koffie bent gekomen, jongen.”
Aandachtig had ik haar verhaal aangehoord. Daardoor stond mijn koffie nog onaangeroerd op de tafel voor mij. Tja, sinds mijn tante zich in de ‘groene wereld’ van al die weggegooide kamerplanten als redder heeft opgeworpen, kijkt ze op een andere manier in deze wereld om zich heen. “Ach tante, de mensen hebben tegenwoordig vaak haast. Daarom hebben ze geen oog meer voor wat mooi is en wat niet mooi is”, zei ik maar om haar op haar gemak te stellen. Door dit verhaal wat mijn tante mij vertelde, moest ik even denken aan de tijd toen ik nog een jongetje van een jaar of 8 was en mijn moeder van ome Gerard een paar krokusbollen had gekregen. Ik zie mijn vader nog onhandig bezig om die krokusbollen te planten, want hij was niet zo’n tuinier. Zonder dat hij dat wist, bleek dat later een belangrijk aandenken aan mijn ome Gerard te zijn. Want voor het jaar om was, was mijn ome Gerard overleden. Elk jaar daarna zeiden mijn vader en moeder tegen elkaar: “Heb je al gezien hoe mooi de krokussen van ome Gerard erbij staan.” De krokussen besloegen in het eerste jaar enkele decimeters, maar inmiddels is het een groot en kleurrijk bloemtapijt geworden van enkele vierkante meters, van vrolijk bloeiende krokussen.
Jules Faber















